In 1884 vond de Duitser genaamd P. Nipkow een systeem uit voor het zenden en ontvangen van bewegende beelden. Dit systeem werd de nipkowschijf genoemd en het was een ronde schijf die heel snel in het rond draaide. In deze schijf waren spiraalvormige gaatjes gemaakt. Het licht die door de gaatje heen kwam scheen tegen een fotocel aan. Met een fotocel kun je licht omzetten in elektriciteit, denk maar aan een zonnecel. Op deze manier werd beeld omgezet in elektriciteit. Ook was er nog iemand anders die een televisie uitvond namelijk nog een Duitser genaamd F. Braun. Hij was de eerste uitvinder die een echte elektronische televisie uitvond zonder een schijf of fotocel.

 

De Philips tv was in de jaren vijftig een van de grootste bedrijven achter de making van de televisie in Nederland. In reclameboodschappen presenteerde Philips het nieuwe medium (van het ZMBO model).

 

Om indruk te maken op de Europese markt moest Philips eerst in Nederland genoeg tv’s verkopen. Daarom begon het bedrijf in 1948 met experimentele uitzendingen die in Eindhoven en omgeving te ontvangen waren. In 1951 zetten de radio-omroepen zich voort in Bussum.  

 

Vanaf 1960 werd er op alle avonden uitgezonden tussen 20:00 en 22:00, dit werd expres gedaan omdat de mensen toen het meeste televisie keken tussen die tijden, dit wordt trouwens nog steeds tussen deze tijden gedaan. Rond 1961 werd er ruim 20 uur per week uitgezonden op de televisie. In 1964 kwam er een tweede net bij. Doordat het economisch gezien met Nederland beter ging, konden de mensen makkelijker een tv kopen. Er werd volop naar de televisie gekeken en er waren al meer dan 1 miljoen mensen die televisie konden kijken. Als er televisie werd gekeken was dat meestal met het hele gezin. Programma’s met kijkcijfers van ongeveer 5 miljoen kwam best vaak voor. Top programma’s zoals “Dagboek van een Herdershond”, “Wedden dat” en “Bananasplit” trokken met gemak 8 miljoen kijkers. De normale bordspelletjes en het lezen van een boek nam af qua populatie.

 

In 1967 kwam de kleuren televisie uit en in dat jaar werd reclame op de Nederlandse televisie ook toegelaten. Vanaf 1969 werden alle organisaties van de omroep toegelaten tot de tv zodat zij meer programma’s op de buis konden maken. Daarna, rond 1970 had bijna elk huisgezin een zwart-wit televisie en bij sommigen was de kleurentelevisie al doorgedrongen. In 1970 werd het kijkgedrag ook verander, ze keken wel anderhalf uur per dag, in de gezelligheidsspelletjes zoals kaarten en ganzenborden werd minder tijd ingestoken.

 

De televisie zorgde voor grote veranderingen in de huiskamer. De eettafel kreeg een minder centrale plaats, want elk moest vanaf de bank of een luie stoel de tv kunnen zien, liefst met een laag tafeltje bij de hand voor een hapje of een drankje.

 

Toen de kabeltelevisie en de satelliet tentoongesteld werden, werd de televisie veel uitgebreider en het werd ook internationaler. De meeste mensen kijken nog veel meer uren dan in 1970, maar samen televisie kijken met het hele gezin gebeurt steeds minder, ook al omdat heel wat kinderen een eigen tv, telefoon of een ipad hebben.